Nostradamus
... een nieuwe visie ...
Laatst bijgewerkt:
12 november 2016
DE VOORSPELLINGEN
ONJUISTE INTERPRETATIES
Napoleon Bonaparte
15 augustus 1769 - 5 mei 1821

De opkomst van Napoleon Bonaparte
Centurie 1, Kwatrijn 60

Veldtocht Sardinië,
22 februari 1793
Centurie 3, Kwatrijn 87

Eerste consul van Frankrijk
Centurie 4, Kwatrijn 54

Grote Sint-Bernhardpas,
mei 1800
Centurie 5, Kwatrijn 20

Inname Milaan
Centurie 3, Kwatrijn 37

Kroning tot keizer van Frankrijk,
2 december 1804
Centurie 8, Kwatrijn 57

Invasie in Rusland, 1812
Centurie 4, Kwatrijn 75

Slag bij Moskou, 1812-1813
Centurie 8, Kwatrijn 85

Verbanning naar Elba,
6 april 1814
Centurie 10, Kwatrijn 24
 
1e Wereldoorlog 1914-1918

Aanleiding tot de
Eerste Wereldoorlog 1914-1918
Centurie 9, Kwatrijn 55

*** UPDATE ***
Oorlogsvoering in de lucht, beide wereldoorlogen
Centurie 1, Kwatrijn 64

*** UPDATE ***
Kerk "St-Gervais-et-St-Protais" geraakt door Parijs-Geschut
29 maart 1918
Centurie 3, Kwatrijn 6
Centurie 3 - Kwatrijn 44

Quand l'animal à l'homme domestique,
Apres grands peines & sauts viendra parler,
Le foudre à vierge sera si malefique,
De terre prinse & suspendue en l'air.

Wanneer het dier door de mens getemd is,
Zal het na vele inspanningen spreken,
De bliksem die in zijn maagdelijke vorm zo gevaarlijk is,
Wordt van de aarde genomen en in de lucht opgehangen.
1906 - Guglielmo Marconi
Marconi Wireless Telegraphy Station, South Wellfleet (Cape Cod)
De gloeilamp

Het was op 22 oktober 1879, dat Thomas Edison voor het eerst zijn gloeilamp deed branden. Hij was eigenlijk niet echt dé uitvinder van de gloeilamp aangezien het idee erachter niet echt van hem afkomstig is. Edison was echter slechts één van de velen die bij droegen aan de ontwikkeling van een praktisch middel om met elektriciteit licht te genereren. Heinrich Göbel, een Duitse wetenschapper, wordt eigenlijk in het algemeen beschouwd als de echte uitvinder van de gloeilamp. Want in 1854, 25 jaar voor Edison, slaagde hij erin de eerste echte gloeilamp te maken. Zijn gloeilamp bestond uit een verkoolde bamboevezel in een vacuüm gezogen eau-de-colognefles. Hij kon de fles vacuüm zuigen door deze te vullen met kwik en hem daarna leeg te laten lopen. Door het vacuüm kon de bamboevezel niet verbranden. Göbels lamp brandde 400 uur. Maar het was wel Edison die 25 jaar later een octrooi aanvroeg op eenzelfde soort lamp. Toen Göbels dit vernam betwistte hij het patent voor de rechtbank en kreeg in 1893 zijn gelijk van de rechter. Maar jammer genoeg heeft hij niet veel van deze erkenning kunnen genieten want een jaar later overleed hij echter.
18979 - Thomas Alva Edison
1893 - Heinrich Göbel
1899 de eerste radioverbinding over het Kanaal tussen Engeland en Frankrijk.
1901 de eerste trans-Atlantische radioverbinding tussen Groot-Brittannië en Newfoundland.
1919 het eerste Nederlandse radioprogramma. Initiatiefnemer en presentator was omroeppionier ir. Hanso Schotanus à Steringa Idzerda, die de uitzending vanuit zijn woning in Den Haag verzorgde.
In enkele jaren tijd werden onder leiding van Marconi steeds grotere afstanden overbrugd:
In het begin werd radio alleen gebruikt als middel om morsesignalen uit te zenden. Door de uitvinding van de elektronenbuis in 1906 werd het mogelijk werkelijke geluiden uit te zenden. Berichten konden nu rechtstreeks ingesproken worden en hoefden niet meer in morsecode vertaald te worden. Na de ontwikkeling van de transistor in 1947 werd het mogelijk veel kleinere ontvangers te bouwen, die tevens minder energie nodig hebben om te kunnen werken.
Regels 3 en 4

De bliksem die in zijn maagdelijke vorm zo gevaarlijk is,
Wordt van de aarde genomen en in de lucht opgehangen.


De eerste gloeilamp moet Nostradamus gefascineerd hebben, evenals andere moderne uitvindingen.
Zou hij de techniek van zulke 'futuristische' snufjes voldoende doorzien hebben om ze naar zijn eigen tijd over te brengen, en zo ja, wat een wijsheid moet ervoor nodig zijn geweest om aan die verleiding weerstand te bieden !
Maar hij zag ook dat elektriciteit (bliksem) heel gevaarlijk zou zijn en (om de openbare veiligheid te verzekeren) dat de draden daartoe in de lucht op palen zouden worden opgehangen.
Regels 1 en 2

Wanneer het dier door de mens getemd is,
Zal het na vele inspanningen spreken,
Nostradamus vertelt ons hier dat de mens uiteindelijk de ruwe kracht van elektriciteit zal weten te temmen en deze zal gebruiken om spraak te dragen. Voor hem is de onstoffelijke stem van de mensheid op de radiogolven een 'getemd dier'.
Verbijsterd probeert Nostradamus de verbazingwekkende uitvindingen van de twintigste eeuw te beschrijven. De visioenen van auto's, vliegtuigen en van de mysterieuze krachten der natuur die aan ons dagelijks gebruik dienstbaar zijn gemaakt, tarten zijn 16e-eeuwse woordenschat en verbeelding.
Zaken waar wij weinig aandacht aan besteden, zoals elektriciteitsleidingen, moeten hem gefascineerd hebben.
De radio

In 1895 wilde Nikola Tesla als eerste een demonstratie geven om elektrische signalen over een grote afstand te versturen. Helaas vatte zijn werkruimte vlam en kon hij het experiment niet uitvoeren. In hetzelfde jaar lukte het Guglielmo Marconi (1874-1937) wel om als eerste een radioverbinding van enkele kilometers te maken met een zelfgemaakte zender en ontvanger die was gebaseerd op een oscillator van Tesla's ontwerpen. Ongeveer tegelijkertijd deed Alexander Stepanovitsj Popov hetzelfde. Beiden bouwden voort op het werk van Heinrich Hertz, die in 1887 ontdekte hoe elektromagnetische radiogolven konden worden opgewekt en terug ontvangen.
Dispuut over de uitvinding

In Italië werd Marconi's werk niet op prijs gesteld en daarom ging hij naar Engeland. Daar wist hij grotere afstanden te overbruggen en kon hij in 1901 een bericht over de Atlantische Oceaan sturen. Er kan echter niet gesteld worden dat een van bovengenoemden de uitvinder van de radio is. Daarvoor is zowel een zender als een ontvanger nodig, en deze bestaan elk weer uit verschillende onderdelen die ieder een eigen ontwikkeling hebben doorgemaakt. De antenne, een belangrijk onderdeel, is echter wel een uitvinding van Marconi. Otis Pond, een ingenieur die voor Tesla werkte zei ooit, "Het lijkt erop dat Marconi het idee van jou heeft." Tesla antwoordde, "Marconi is een goede man. Laat hem doorgaan. Hij gebruikt 17 patenten van mij." Toen Marconi de Nobelprijs in 1909 kreeg, was Tesla echter woedend. Het was pas in 1943, enkele maanden na zijn overlijden, dat Tesla uiteindelijk toch het patent kreeg op de uitvinding van de radio.
Franklin, Coulomb & Volta

In 1752 legde de Amerikaanse wetenschapper en politicus Benjamin Franklin de link tussen bliksem en elektriciteit en vond hiermee de bliksemafleider uit. Hij neutraliseerde hiermee de gevaarlijke effecten van de bliksem. De bliksem was toen de enige krachtige vorm van elektriciteit in die periode. Helaas slaagde hij er niet in om deze vorm van elektriciteit te beheersen. Franklin maakte voor het eerst onderscheid tussen positieve en negatieve lading. Tevens was hij de eerste die het dan toe onbegrepen fenomeen Sint-Elmusvuur zag als een vorm van natuurlijke elektriciteit.

In 1780 ontdekte de Italiaanse anatoom Luigi Galvani, dat hij de poot van kikkers kon laten bewegen met behulp van elektriciteit. Hij meende ten onrechte daaruit te concluderen, dat hij de zogenoemde dierlijke elektriciteit had ontdekt. Dit zou volgens hem de levenskracht zijn, die alles zou laten bewegen.

In zeven brieven gericht aan de Franse wetenschapsacademie publiceerde de Franse natuurkundige Charles-Augustin de Coulomb tussen 1785 en 1791 de wetten van elektrostatica. Deze wetten beschrijven de interactie van twee of meerdere elektrostatische ladingen - gelijke ladingen stoten elkaar af terwijl ongelijke ladingen elkaar aantrekken. Bij iedere halvering van de afstand neemt de kracht met een factor vier toe.

Om aan te tonen dat de dierlijke elektriciteit van Galvani niet bestond bouwde Alessandro Volta, hoogleraar natuurkunde te Pavia, in 1800 de naar hem vernoemde 'Zuil van Volta'. Met deze voorloper van de batterij kon hij een ononderbroken, permanente stroom produceren, in tegenstelling tot elektrostatische machines die altijd in één enkele stroomstoot ontlaadden. Zijn batterij bestond uit door op elkaar gestapelde schijfjes koper en zink, gescheiden door in een zwavelzuuroplossing gedrenkte wollen lapjes. Zo ontstond een krachtige stroombron die een hernieuwde impuls gaf in het elektrisch onderzoek.
Elektrochemie

De uitvinding van de batterij leidde tot tal van nieuwe elektrische toepassingen. Naast galvanisatie, het bedekken van een voorwerp met een laagje metaal, ontdekten scheikundigen met behulp van elektrolyse tal van nieuwe chemische elementen, zoals kalium, natrium, barium, calcium, magnesium en fluor.

De Duitse professor Thomas Seebeck merkte in 1821 op dat wanneer warmte wordt toegevoerd aan een verbindingslas van twee verschillende metalen, dat in de draden een spanningsverschil wordt opgewekt: thermo-elektriciteit. Hierdoor is de uitvinding van het thermokoppel een feit. In 1834 ontdekte de Franse natuurkundige Jean Peltier het tegenovergestelde effect - wanneer een stroom door het thermokoppel wordt gestuurd zal de temperatuur ter plaatse van de las stijgen of dalen, afhankelijk van de stroomrichting. Dit wordt het Peltier-effect genoemd.

Ondanks de vele proeven die ze deden met stroom en spanning beschouwden wetenschappers het als twee afzonderlijke verschijnselen. Het was de Duitse wiskundige Georg Ohm die de relatie tussen stroom en spanning bewees. Tijdens zijn onderzoek naar het geleidingsgedrag van verschillende metaaldraden toonde hij aan dat er lineaire relatie was tussen de stroomsterkte door de draad en de aangelegde spanning: U = I * R. De resultaten van zijn onderzoek publiceerde hij in 1827 in Die galvanische kette, mathematisch bearbeitet.
Ervan overtuigd dat energie binnen een systeem behouden blijft, beredeneerde Faraday dat het omgekeerde ook mogelijk moet zijn - met magnetisme elektriciteit creëren. Pas tien jaar later, rond 1831, bewees hij dat de beweging van een sterke magneet in een draadspoel een korte elektriciteitspuls in de spoel kon opwekken. Faraday had de (elektro)magnetische inductie ontdekt, het principe achter de dynamo en de transformator.

Op basis van Faraday's experimenten ontwierp de Fransman Hippolyte Pixii in 1832 de eerste bruikbare dynamo. Pixii's toestel bevatte twee door een draaiwiel aangedreven roterende magneten, die zich voorbij een spoel met ijzerkern bewoog. Dankzij de door Ampère voorgestelde commutator bouwde hij in 1833 de eerste gelijkstroomdynamo.

Onafhankelijk van Faraday had de Amerikaanse natuurkundige Joseph Henry een jaar eerder (1830) ook het fenomeen van zelfinductie ontdekt. Maar omdat Faraday zijn bevindingen als eerste publiceerde wordt hij officieel erkend als de ontdekker ervan. In 1835 vond Henry het relais uit - een elektromagnetische schakelaar die op afstand bediend kan worden. Werkend als versterker kon dankzij het relais telegrafieberichten over steeds grote afstand verstuurd worden.
Elektromagnetische straling

De wiskundige relatie tussen elektriciteit en magnetisme werd in 1861 beschreven door de Brit James Clerk Maxwell in het werk On Physical Lines of Force. In een aantal formules vatte hij hiermee honderd jaar wetenschappelijk onderzoek samen. Maxwells vergelijkingen beschrijven de richting en grootte van elektrische en magnetische velden. De oplossing is een elektromagnetische golf die zich voortplant met de lichtsnelheid. Hieruit concludeerde Maxwell dat (zichtbaar) licht ook een vorm van elektromagnetische straling is. (A Dynamical Theory of the Electromagnetic Field, 1865) Later werd bekend dat elektromagnetische straling overgedragen wordt door lichtdeeltjes, fotonen.

In 1886 wist de Duitse docent natuurkunde Heinrich Hertz de reeds door Maxwell voorspelde elektromagnetische golven op te wekken met zijn oscillator. Hertz zelf zag geen praktische toepassingen voor zijn ontdekking, maar anderen zagen wel de relevantie ervan. De Engelse natuurkundige Oliver Heaviside zei in 1891: "Drie jaar geleden waren elektromagnetisch golven nergens. Maar nu zijn ze overal."

Het bleek dat elektromagnetische golven uitermate geschikt waren als medium om informatie over grote afstanden te verzenden. Hoewel verschillende wetenschappers hiermee bezig waren was het de jonge Italiaan Guglielmo Marconi die in 1895 als eerste een morsebericht draadloos wist over te brengen. Zes jaar later zond Marconi voor het eerst een radiosignaal over de Atlantische Oceaan, van Cornwall in Engeland naar het Canadese Newfoundland.

De overdracht van draadloze telegrafie kwam een stap verder in de goede richting toen de Duitse natuurkundige Karl Ferdinand Braun erin slaagde elektromagnetische golven in de door hem gewenste richting te sturen. Voor hun werk op het gebied van draadloze telegrafie kregen Braun en Marconi in 1909 gezamenlijk de Nobelprijs voor de Natuurkunde.

De jaren 80 van de negentiende eeuw was het startpunt van de tweede industriële revolutie. Naast de productie van staal en de uitvinding van de verbrandingsmotor was het - industrieel en later ook huishoudelijk - gebruik van elektriciteit één van de belangrijkste ontwikkelingen van deze revolutie.
Dynamo/elektromotor

Dankzij de uitvinding van de dynamo kon op grote schaal, en vele malen goedkoper dan met chemische elementen, elektrische energie worden opgewekt. Volgend op Faraday's ontdekking van elektromagnetische inductie ontwikkelde Pixii in 1832 de eerste dynamo. Na Pixii werd de dynamo in de jaren daarna door diverse wetenschappers aanzienlijk verbeterd.

Zo vervangt de Italiaanse natuurkundige Antonio Pacinotti rond 1859 het hoefijzervormige anker door een ringvormig anker, waardoor zijn macchinetta een veel gelijkmatigere gelijkstroom levert. De Belgische ingenieur Zénobe Gramme bracht een aantal belangrijke verbeteringen aan en slaagde erin om rond 1870 een ringkernankerdynamo te maken die hogere spanningen en een voldoende sterke gelijkstroom kon produceren.

Gedurende de eerste helft van 1830 werden de eerste machines ontwikkeld die elektriciteit konden omzetten in mechanische arbeid. De eerste elektromotor die in staat was om een werktuig aan te drijven werd in 1832 door de Brit William Sturgeon gebouwd, terwijl in de Verenigde Staten naast Henry ook Charles Grafton Page en Thomas Davenport experimentele motoren bouwden.

Desondanks bleven de prestaties - en dus de toepasbaarheid - van de elektromotor ver achterlopen bij die van de stoommachine. Het zou tot 1873 duren voordat de elektromotor echt zou doorbreken. In dat jaar (her)ontdekt Gramme samen met zijn partner Hippolyte Fontaine de omkeerbaarheid van de elektrische machine, ofwel de dynamo kan gebruikt worden als elektromotor en visa versa. Vanaf dat moment liep de ontwikkeling van de elektromotor gelijk op met die van de dynamo.
Elektrische verlichting

In eerste instantie werd de door dynamo's opgewekte energie vooral toegepast in het voeden van booglampen. Reeds in 1810 had Humphry Davy een letterlijk verblindende demonstratie gehouden voor de Royal Institution te Londen. Tussen twee houtskoolstaven, aangesloten op 2000 Voltabatterijen, trok hij een vlamboog die fel wit licht uitstraalde.[10] Hiermee toonde hij voor het eerst aan dat met elektriciteit het mogelijk was om licht te creëren. Desondanks zou het enkele decennia duren voordat deze vorm van lichtopwekking gemeengoed werd. Pas na de introductie van de dynamo werden koolspitsbooglampen op grote schaal toepast als straatverlichting. Echter, voor huishoudelijk gebruik waren de booglampen ongeschikt.

Om elektrisch licht de huiskamer binnen te krijgen was een nieuwe uitvinding noodzakelijk, de gloeilamp. In tegenstelling tot booglampen kon de gloeilamp wel in kleine ruimtes worden gebruikt, was schoon en gemakkelijk in gebruik. Aan de uitvinding van gloeilamp hangt vooral de naam van Thomas Alva Edison, hoewel hij niet de eerste was die de gloeilamp uitvond. Wel zorgde hij ervoor dat de gloeilamp uitgroeide tot een commercieel succes. Hiervoor leverde Edison voor zijn klanten een compleet elektriciteitsnetwerk, inclusief dynamo's, kabels en accessoires zoals fittingen, zekeringen en elektriciteitsmeters. In 1882 nam hij 's werelds eerste elektriciteitscentrale in bedrijf die 110V gelijkstroom leverde aan 59 klanten in Lower Manhattan.
Elektromagnetisme

De eerste die de link aantoonde tussen elektriciteit en magnetisme was de Deens hoogleraar Hans Christian Ørsted. In 1820 zag hij bij toeval dat een magneetnaald reageerde op een nabijgelegen draad waar een elektrische stroom door heen liep. Een verklaring van dit fenomeen kon Ørsted niet geven.

Het was de Franse wiskundige André-Marie Ampère die kort na de publicatie van Ørsted de wiskundige onderbouwing gaf. In verder onderzoek ontdekte Ampère daarnaast dat twee parallelle stroomdraden elkaar aantrekken als de stromen in dezelfde richting lopen, maar elkaar afstoten als die in tegengestelde richting lopen. De kracht waarmee dat gebeurt was evenredig met de stroomsterkte en omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand tussen de draden. Hiermee wist Ampère als eerste stroom te kwantificeren.

Naast Ampère raakte ook de Brit Michael Faraday, assistent van Davy, sterk geïnspireerd door het werk van Ørsted. Hij veronderstelt dat de elektrische stroom de kompasnaald van richting verandert omdat de stroom rond de draad cirkelvormige magnetische krachtlijnen laat ontstaan. Op basis van deze stelling lukte het hem in 1821 om een elektrische stroom om te zetten in een roterende beweging - het principe van de elektromotor was geboren. Tevens was Faraday de eerste die elektriciteit beschreef in de vorm van veldlijnen.
Uitvinding Radio en Elektriciteit