Nostradamus
... een nieuwe visie ...
Laatst bijgewerkt:
12 november 2016
DE VOORSPELLINGEN
ONJUISTE INTERPRETATIES
Napoleon Bonaparte
15 augustus 1769 - 5 mei 1821

De opkomst van Napoleon Bonaparte
Centurie 1, Kwatrijn 60

Veldtocht Sardinië,
22 februari 1793
Centurie 3, Kwatrijn 87

Eerste consul van Frankrijk
Centurie 4, Kwatrijn 54

Grote Sint-Bernhardpas,
mei 1800
Centurie 5, Kwatrijn 20

Inname Milaan
Centurie 3, Kwatrijn 37

Kroning tot keizer van Frankrijk,
2 december 1804
Centurie 8, Kwatrijn 57

Invasie in Rusland, 1812
Centurie 4, Kwatrijn 75

Slag bij Moskou, 1812-1813
Centurie 8, Kwatrijn 85

Verbanning naar Elba,
6 april 1814
Centurie 10, Kwatrijn 24
 
1e Wereldoorlog 1914-1918

Aanleiding tot de
Eerste Wereldoorlog 1914-1918
Centurie 9, Kwatrijn 55

*** UPDATE ***
Oorlogsvoering in de lucht, beide wereldoorlogen
Centurie 1, Kwatrijn 64

*** UPDATE ***
Kerk "St-Gervais-et-St-Protais" geraakt door Parijs-Geschut
29 maart 1918
Centurie 3, Kwatrijn 6
Wat Saunière had ontdekt is nog steeds onbekend maar er brak voor hem een gouden periode aan.
Hij bleek plotseling schatrijk te zijn en begon op grote schaal geld uit te geven. Enorme bedragen werden gespendeerd aan de verdere restauratie van de kerk. Stukken grond rondom de kerk werden aangekocht tegen hoge prijzen. Op deze percelen verschenen indrukwekkende bouwwerken zoals een neogotische kasteeltoren 'La tour Magdala', genoemd naar Maria Magdalena, die als bibliotheek werd ingericht en een villa in renaissancestijl, Bethania genaamd. Rondom de villa werd een uitgestrekt park aangelegd compleet met fonteinen en kassen voor de meest exotische boom-, planten- en vogelsoorten. Producten van over de hele wereld werden besteld. Marie de huishoudster liep gekleed volgens de laatste mode uit Parijs en werd door de jaloerse dorpsvrouwen gekscherend 'madone' genoemd. Gasten werden als staatshoofden ontvangen, kregen de meest exclusieve gerechten voorgeschoteld en verlieten villa Bethania overladen met geschenken.
Kortom onze pastoor leefde als god in Frankrijk.
François Bérenger Saunière (Montazels, 11 april 1852 - Rennes-le-Château, 22 januari 1917).
Op 1 juni 1885 werd François Bérenger Saunière door Mgr. Félix Billard, bisschop van Carcassonne, benoemd tot pastoor in Rennes-le-Château in het departement Aude.
De 33-jarige Saunière, die al enkele andere opdrachten achter de rug had, was afkomstig uit Montazels, een dorp in de buurt (nu een deelgemeente van Couiza). De familie Saunière was vrij bemiddeld en behoorde tot de plaatselijke notabelen, vader Saunière was er burgemeester.
Ieder ander zou deze benoeming als een verbanning ervaren. Rennes-le-Château, een gehucht van nauwelijks 200 inwoners, lag ver van alles en iedereen, verloren op een bergtop in een uithoek van Zuid-Frankrijk. Maar Saunière, geboren in deze streek, was nog jong en energiek. Hij was niet iemand die gauw bij de pakken neerzat. Gelukkig maar, want de eerste aanblik van zijn nieuwe parochie was weinig hoopvol.
Hieronder het verhaal:

De D118 en D117 vormen de verbindingsweg tussen Carcassonne en Perpignan via Limoux en Quillan. De mooie, maar drukke weg loopt tot voorbij Quillan door de vallei van de Aude op de grens van de Corbières. 12 km vòòr Quillan ligt het plaatsje Couiza. Voorbij het centrum wijst een wegwijzer aan de linkerkant naar "Rennes-le-Château" (D52).
Het is een smalle, bochtige maar goed berijdbare asfaltweg die je na een viertal kilometer klimmen ter bestemming brengt: een sluimerend dorpje bovenop een heuveltop. Oude huisjes, een vervallen kasteel, smalle straatjes.
De weg leidt naar de rand van het plateau en geeft uit op een kleine parkeerplaats met een schitterend uitzicht over de Corbières en de Aude-vallei.
Maar er is meer...
Rechts zie je op de rand van het plateau een kleine toren in gothische stijl en wat verder staat een, naar alle verhoudingen, ruime villa van drie verdiepingen. Dit was het domein van pastoor François Bérenger Saunière die hier woonde van 1885 tot aan zijn dood in 1917 en met Saunière begint één van de wonderlijkste verhalen uit de streek Languedoc...
Het hotel draaide op volle toeren en de dorpsbewoners raakten gewend aan de gasten, waarvan de meeste gewapend waren met schop en houweel. De belangstelling bleef groeien, vooral toen ook de kranten er zich mee gingen bemoeien. In 1956 verschenen in de lokale krant "la Dépêche du Midi" de eerste artikelen over de "schatrijke pastoor van Rennes-le-Château".

Ook het eerste boek waarin sprake is van het "mysterie" verschijnt: "Trésors du Monde enterrés, emmurés, engloutis". De auteur, Robert Charroux, besteedde in dit werk, dat over tientallen verborgen schatten handelt, een hoofdstukje aan Rennes-le-Châteaux: het begin van wat een zeer omvangrijke bibliotheek zou worden!

Door al deze publiciteit verschenen er meer en meer schattenjagers in het dorp met steeds minder scrupules. Wanneer in 1965 een halve gek met een lading dynamiet aan de slag gaat en bijna het halve dorp opblaast is het genoeg geweest voor het gemeentebestuur: alle opgravingen worden officieel verboden en dat is nu nog steeds zo.

In datzelfde jaar houdt ook Noël Corbu het voor bekeken: hij verkoopt zijn zaak aan Henri Buthion. Korte tijd later komt hij om in een auto-ongeval maar de mythe is dan al lang niet meer in de hand te houden...
Rennes le Château
Marie Denarnaud
La tour Magdala
Een deel van de theorie van Het heilige bloed en de heilige graal en daarmee de legende van Rennes-le-Château is gebruikt door de schrijver Dan Brown als basis voor zijn bestseller De Da Vinci Code. Dan Brown baseert zich echter vooral op het onderzoek van Pyknett en Prince dat er op voortbouwt. Feit is dat de bibliotheken van de Dode Zeerollen van Qumran en de bibliotheek van Nag Hammadi, die respectievelijk in 1947 en 1945 werden gevonden en de afgelopen decennia voor een breed publiek vertaald beschikbaar kwamen, lijken te bevestigen dat Maria Magadalena als partner van Jezus en apostola apostolarum ( apostel der apostelen) stichter van de ecclesia ( gemeenschap) in Zuid Frankrijk werd onderschat. Zonder twijfel heeft zij een veel grotere rol gespeeld in de oerchristelijke kerk dan de orthodoxe kerk wilde doen geloven.

Een alternatieve theorie is naar voren geschoven door de Nederlander Klaas van Urk in zijn boek Zoektocht naar de Heilige Graal en de Ark van het Verbond. In september 2006 werd opnieuw een andere theorie naar voren gebracht door de Nederlandse schrijver Karl Hammer Kaatee in zijn boek Satans lied. Daarin wordt gesteld dat het verhaal over Rennes-le-Château in feite onderdeel is van een enorm mistgordijn om de bergplaats van de kruisvoorwerpen van Jezus te verhullen.

Het dorp en zijn geschiedenis worden ook steeds vaker onderwerp van historische thrillers. Waar Dan Brown zich vooral richtte op de theorie, zijn er ook auteurs die hun werk laten afspelen in het dorp. 'Het verloren Labyrint' van Kate Mosse speelde zich er grotendeels af en ook in 'De erfenis van de Tempeliers' van Steve Berry speelde het dorp een grote rol.
In 1897 is de restauratie van de kerk voltooid in de overdadige kitscherige stijl die het in die tijd goed deed.
Saunière had dus de middelen gevonden om het werk af te ronden. Naast het nieuwe altaar waren er ook nieuwe beelden, een groot bas-reliëf en een nieuwe kruisweg geplaatst. Een imposante duivel die vertrapt wordt door vier engelen die het kruisteken maken, ontvangt de bezoekers bij de ingang. (Deze beeldengroep heeft al heel wat stof doen opwaaien, een oog van de duivel werd ooit gestolen en in 1996 ging men met zijn hoofd aan de haal).
Bérenger Saunière en Marie Denarnaud poseren trots voor de pas gebouwde Villa Bethania met op de achtergrond de kerk van Rennes-le-Château
Villa Bethania nu, met aan de zijgevel Saunières privé kapel
Orangerie
Vanaf 1908 begon de nieuwe bisschop van Carcassonne, monseigneur De Beauséjour, een onderzoek naar de uitbundige levensstijl van zijn ondergeschikte.
Saunière werd verzocht zijn boekhouding te overleggen met een overzicht van al zijn uitgaven en, nog belangrijker, zijn inkomsten.
Saunière weigerde. Vervolgens besloot de bisschop tot overplaatsing naar een andere parochie. Ook deze maatregel werd door Saunière genegeerd. Hij werd voor enige tijd uit zijn ambt ontheven. Er volgde een langdurig juridisch conflict voor de kerkelijke rechtbank dat tot zijn dood zou blijven voortduren. De vele rechtszaken en het juridisch geharrewar eisten hun tol.
De gezondheid van Saunière ging zienderogen achteruit. Op 17 januari 1917 kreeg hij een hartaanval en overleed een paar dagen later.
Kerk van de heilige Maria Magdalena
De duivel bij de ingang
Regels 1 en 2
Het ongeziene wordt ontdekt, verborgen voor zo'n lange tijd,
De pastoor zal als een halfgod geëerd worden:

Ook Nostradamus onthuld hier jammer genoeg niet wat Bérenger Saunière ontdekte.
De eerste regel doet echter niet zo zeer denken aan het vinden van een schat. Volgens het boek 'Het heilige bloed en de heilige graal' van Michael Baigent heeft Saunière bewijzen gevonden, dat Maria Magdalena de vrouw was van Jezus Christus, en met hem samen kinderen had die na de kruisiging met hun moeder in Frankrijk terecht zijn gekomen. Saunière zou met deze bewijzen de katholieke kerk hebben gechanteerd en zo het geld hebben vergaard dat nodig was voor de restauratie van de kerk en het bouwen van de villa en de Tour Magdala.
Centurie 1 - Kwatrijn 25

Perdu trouué, caché de si long siecle,
Sera pasteur demy Dieu honnore:
Ains que la Lune acheue son grand siecle,
Par autres vents sera deshonnoré.

Het ongeziene wordt ontdekt, verborgen voor zo'n lange tijd,
De pastoor zal als een halfgod geëerd worden:
Dit is wanneer de maan haar grote cyclus heeft voltooid,
Door de laster van anderen zal hij worden onteerd.
Regel 3
Dit is wanneer de maan haar grote cyclus heeft voltooid,

Nostradamus noemt hier als datum het moment waarop de maan haar grote cyclus voltooid heeft.
Hij doelt hiermee op zijn tijdgenoot Richard Roussat:

In de eerste decennia van de zestiende eeuw circuleerden er in Frankrijk, Italië en het Heilige Roomse Rijk tal van voorspellingen aangaande het einde van de wereld. Veel astrologen probeerden de datum te berekenen waarop dit zou plaatsvinden. Er zijn berekeningen bekend van tijdgenoten van Nostradamus zoals d’Ailly, De Cuse, Turrel, Morin en Lauret.
In 1550 publiceerde de Franse astroloog en kanunnik Richard Roussat 'Livre de l'estat et de mutation des temps'. Hij probeerde aan de hand van vier astrologische modellen aan te tonen dat het eind der tijden nabij was.
Bij één van deze modellen is de bestaansduur van de wereld onderverdeeld in series van zeven perioden van 354 jaar en 4 maanden, elk geregeerd door een planeet. De eerste periode van 354 jaar en 4 maanden is geregeerd door Saturnus, de tweede door Venus, de derde door Jupiter, de vierde door Mercurius, de vijfde door Mars, de zesde door de Maan en de zevende door de Zon. Dan begint een nieuwe serie perioden, waarvan de eerste wordt geregeerd door Saturnus, enz. Roussat heeft dit model ontleend aan Liber Rationum, geschreven in de 12e eeuw door Abraham Ibn Ezra. De duur van deze perioden (354 jaar en 4 maanden) is ontleend aan de duur van een maanjaar (ongeveer 354 dagen).

Roussat voltooide zijn boek in 1549. Volgens het bovenstaande model viel dat jaar in een periode van 354 jaar en 4 maanden dat geregeerd werd door de Maan en liep van 1535 tot 1889.

In 1887 toen met de restauratie begonnen werd, ontdekte Saunière de perkament rollen die een grote rol zouden spelen in Saunières zoektocht.
Regel 4
Door de laster van anderen zal hij worden onteerd.

Door het bovenstaande behoeft deze regel niet nader verklaard te worden.
Centurie 1 - Kwatrijn 25 is een bijzonder kwatrijn dat op twee gebeurtenissen betrekking zou kunnen hebben, één in het jaar 1887 en één in het jaar 1888 toen Louis Pasteur de microbe ontdekte.
In eerste instantie dacht ik als zo velen dat dit kwatrijn dan ook naar hem zou verwijzen, maar toch ben ik tot een andere conclusie gekomen.

Het gaat hierbij met name om de tweede regel uit het kwatrijn
'Sera pasteur demy Dieu honnore:'
Het tweede woord 'pasteur' zou inderdaad Louis Pasteur kunnen zijn, maar omdat zijn naam hier niet met een hoofdletter begint zou het Franse woord 'pasteur' hier 'pastoor' betekenen waardoor dit kwatrijn automatisch verwijst naar een gebeurtenis een jaar eerder, het jaar 1887 toen pastoor François Bérenger Saunière eveneens een omvangrijke schat ontdekt moet hebben.
Als de kerkelijke autoriteiten hadden gehoopt nu inzicht te krijgen in de hele affaire dan kwamen ze bedrogen uit. Toen de boeken werden geopend bleek Saunière geen rooie cent te bezitten. Al zijn geld en goederen had hij op naam gezet van zijn trouwe huishoudster Marie Denarnaud.

Marie bleef in de pastorij wonen en onderhield zo goed en zo kwaad als het kon het domein. Gemakkelijk was dat niet, zij had geen inkomsten en werd voortdurend lastiggevallen door schuldeisers. Ze was genoodzaakt de inboedel stilaan uit te verkopen en ondernam ook een aantal pogingen het domein zelf te verkopen. Om één of andere reden kwam dat er nooit van. De inwoners van Rennes-le-Château uit de periode tussen de twee wereldoorlogen beschreven haar als een vriendelijke, wat zonderlijke dame die het allesbehalve breed had. Het gebeurde zelfs dat ze geholpen werd door dorpelingen die haar wat te eten brachten.
De enige kerk, waarvan de fundamenten dateerden uit de zesde eeuw, verkeerde in een vervallen en bouwvallige staat. De pastorie bleek er nog erger aan toe te zijn en was onbewoonbaar.
Saunière nam, door de omstandigheden gedwongen, zijn intrek bij de familie Denarnaud. Een dochter des huizes, Marie, werd hem toegewezen als persoonlijke hulp en zou de rest van haar leven zijn huishoudster blijven. Saunière zag als zijn eerste en belangrijkste taak de restauratie van de kerk.
Het verkrijgen van de financiële middelen hiervoor bleek echter een groot probleem.
De nieuwe pastoor bestookte het gemeentebestuur met vragen om financiële hulp want in het republikeinse Frankrijk waren alle kerkgebouwen eigendom van de overheid. Pastoors werden betaald door een "ministerie van godsdienst" en de verhoudingen tussen kerk en staat waren niet altijd optimaal.

Ook Saunière zou dat ondervinden. Na een anti-republikeinse preek werd zijn wedde een tijd lang geschorst... Toch kon hij enkele noodzakelijke reparaties laten uitvoeren. In een verslag van de kerk uit 1886 staat dat hij zelf 518 frank had voorgeschoten. Daarnaast waren ook zijn royalistische gevoelens anderen niet ontgaan, hetgeen hem een schenking opleverde van 3000 frank van gravin van Chambord. De gravin van Chambord, aartshertogin Maria-Theresa van Oostenrijk-Este, was een vrome dame die veel kerkelijke werken steunde. Haar overleden echtgenoot was pretendent voor de Franse troon.
In 1887 werd met de restauratie van het kerkinterieur begonnen. Eerst moest het altaar vervangen worden door een nieuw exemplaar, een schenking van een vroegere dorpbewoonster. Het oude altaar bestond uit een platte steen die aan één zijde verankerd was in de muur en met de andere zijde steunde op twee zuilen, één gebeeldhouwd en één effen (in sommige versies van het verhaal is er echter sprake van slechts één zuil). Bij het verplaatsen van het altaar zouden enkele merkwaardige vondsten gedaan zijn, maar de verklaringen daarover lopen nogal uiteen. Volgens sommigen ontdekte Saunière enkele perkamenten in de gebeeldhouwde zuil.
Hij zou diezelfde zuil (die dikwijls wordt omschreven als wisigothisch, hoewel de meeste experten het tegenwoordig op vroeg-romaans houden en enkelen hem nog later dateren) opnieuw gebruiken om er in een perkje voor de kerk een mariabeeld op te zetten.
Enkele jaren geleden werd het origineel overgebracht naar het museum en vervangen door een kopie. Daarbij werd vastgesteld dat er zich geen holle ruimtes in bevonden. Het verhaal van deze vondst is dan ook nogal ongeloofwaardig bij gebrek aan betrouwbare getuigenissen.
Die zijn er echter wel over een andere vindplaats en betreft een houten standaard die in de kerk stond. Die standaard was door de werklui klaarblijkelijk nogal ruw verplaatst waardoor een geheim vak was opengeschoven. Daarin ontdekte de klokkenluider 's avonds een glazen tube met één of meerdere perkamenten.
Maar er was nog een vondst die door Saunière zelf in zijn dagboek bevestigd werd. Op 21 september 1891 lezen we: "Ontdekking van een tombe... regen".
Op welke aanwijzingen die tombe werd gevonden weten we niet, maar we kunnen het wel vermoeden. Er bestaat namelijk een oud parochieregister waarin o.a. te lezen staat: "In het jaar 1705 is overleden in het kasteel van deze gemeente, Dame Delsol, leeftijd ongeveer 75 jaar, ... Zij werd begraven op de 31ste van deze maand in de kerk van deze gemeente, in het graf van de Heren dat zich nabij de "balustre" bevindt..." En "balustre" is het Franse woord voor zo'n houten standaard waarin door de klokkenluider de perkamenten gevonden werden. Misschien is het wel aan de hand van deze perkamenten én het parochieregister dat Saunière het graf vond. Het kwam er op neer om te weten te komen waar die "balustre" precies gestaan had en moelijk kan dat niet geweest zijn want hij maakte deel uit van de oude preekstoel die door Saunière in 1891 vervangen werd.
Saunière had een belangrijke ontdekking gedaan want het ging hier om het "graf van de Heren", belangrijke personen die het privilege genoten om in de kerk te worden begraven.
Saunière riep twee van zijn werklieden bij zich met het verzoek om een, op het oog willekeurige, steen op te lichten uit de kerkvloer.
Toen de steen werd omgekeerd, bleek de onderzijde een afbeelding te bevatten. Ook zagen de werklieden enkele voorwerpen liggen. Veel tijd om nauwkeurig te kijken kregen ze niet want Saunière stuurde hen abrupt de kerk uit. De werkzaamheden werden vervolgens enige dagen stilgelegd. Waarschijnlijk had Saunière tijd nodig om zijn ontdekking goed te bestuderen. Uit het verhaal van de werklieden blijkt duidelijk dat Saunière van tevoren wist welke steen moest worden omgekeerd en had hij de stellige verwachting er iets onder te vinden.
De steen die verwijderd werd en toegang gaf tot het graf was waarschijnlijk de steen die nu bekend staat als de "Dalle des Chevaliers". Deze steen draagt aan één zijde een bas-reliëf dat een jachttafereel voorstelt, maar de pastoor leek weinig benul te hebben van de waarde, hij zou hem later gebruiken als trede voor het kalvariekruis dat hij voor de kerk oprichtte. Toen de steen op deze plaats in 1926 werd "herontdekt" was hij al danig afgesleten. Ditmaal werd de waarde ervan wel ingezien en de "Dalle des Chevaliers" verhuisde naar het nieuwe museum in de burcht van Carcassonne. Op vraag van de gemeente werd hij later terug gegeven.
Ondertussen ging het zoeken door. Saunière maakte vaak hele lange wandelingen, zowel in de directe omgeving als de verre omtrek van Rennes-le-Château.
Vreemder waren zijn nachtelijke bezigheden met Marie de huishoudster. Zij leek helemaal te zijn ingewijd in de geheimen van haar pastoor en assisteerde hem vaak bij een nogal macabere onderneming. Zij werden namelijk verscheidene keren betrapt tijdens nachtelijke opgravingen op het kleine kerkhof achter de kerk. Eén graf had daarbij hun bijzondere aandacht, het betrof de tombe van Marie Nègre-d'Hautpoul, markiezin van Blanchefort. Later zou blijken dat Saunière de complete tekst op haar grafsteen had weggebeiteld. Natuurlijk kon dit niet ongestraft doorgaan. Saunière werd op het matje geroepen bij de burgemeester.
Die nam de zaak hoog op en diende op 12 maart 1895 een officiële klacht in bij de magistraat.
Saunière die inzag dat hij de burgemeester beter te vriend kon houden, beloofde beterschap en honoreerde ook diens verzoek om kopieën van de gevonden perkamenten te overhandigen.
Ondertussen gingen zijn andere zoektochten gewoon door en leek er geen einde te kunnen komen aan de enorme rijkdom die hij zo onbeschaamd etaleerde. Echter aan de horizon pakten donkere wolken zich samen.
Dan in 1945 verscheen de familie Corbu ten tonele. Noël Corbu, zijn echtgenote en hun twee kinderen woonden in Perpignan, maar de kinderen waren tijdens de oorlogsjaren ondergebracht in Bugarach, niet zo ver van Rennes-le-Château. Daar hoorde Noël Corbu voor het eerst spreken over het domein dat door een parochiepriester was nagelaten aan zijn huishoudster, en dat nu al zo'n 30 jaar te koop stond. Ze gingen kijken, maakten kennis met Marie Dénarnaud en het klikte tussen de familie en de oude dame. Uiteindelijk verkocht ze het domein op lijfrente. De familie nam hun intrek in de Villa Béthanie, Marie bleef in de pastorij wonen.

Noël Corbu was een niet zo succesvol zakenman en met de bedrijfjes die hij opstartte liep het meestal niet erg goed af. Marie troostte hem: "Maak u niet zoveel zorgen, mijn beste Noël, want eens zal ik u een geheim vertellen dat van u een zeer rijk man zal maken..."
De Corbu's raakten er meer en meer van overtuigd dat Saunière écht een grote schat had gevonden.
Maar voorlopig hield Marie haar mond en leefde nog vele jaren. Uiteindelijk stemde zij toe 'het geheim van mijnheer pastoor' op haar sterfbed bekend te zullen maken. Toen zij echter in 1953 door een beroerte werd getroffen, was zij niet in staat te spreken of te schrijven. Met veel moeite kon zij alleen nog wat keelklanken uitbrengen, waar haar beste vriend en erfgenaam Corbu niets van verstond. Toen ze even later dan ook stierf nam ze haar geheim mee het graf in waardoor een mysterie was geboren.
Noël Corbu had intussen het hele domein grondig onderzocht maar niets gevonden. Hij besloot de zaak anders aan te pakken: als hij zelf de schat niet zou vinden dan zou hij er op een of andere manier toch zijn broodwinning van maken: hij opende een hotel-restaurant.

Allemaal goed en wel, maar wie gaat er in een verlaten uithoek als Rennes-le-Château op vakantie?

Dat is de eigenlijke start van de Rennes-le-Château-mythe: Noël Corbu gebruikte het verhaal van de pastoor die een fabelachtige schat ontdekt zou hebben om klanten voor zijn zaak aan te trekken. Hij organiseerde een publiciteitscampagne, liet folders drukken en al spoedig meldden zich de eerste "zoekers" aan. Zij kregen een bandopname te horen waarin Corbu het hele verhaal uit de doeken deed en voor de eerste keer ook een verklaring gaf voor de oorsprong: het zou gaan om de Franse koninklijke schat die om veiligheidsredenen door Blanche van Castillië naar Rennes werd verhuisd terwijl haar zoon (Lodewijk de Heilige) op kruistocht was. Door een samenloop van omstandigheden is de schat daar gebleven...
De schat

De plotselinge schijnbare rijkdom van Saunière heeft door de jaren heen veel stof voor speculaties gegeven. Sommigen geloven dat hij een schat van de Katharen heeft gevonden, die in Rennes-le-Château verborgen zou zijn na de val van Montségur. Anderen houden het op een schat van de Tempeliers, die bij de vernietiging van deze orde weggesmokkeld zou zijn. Dan is het ook nog mogelijk dat Saunière een schat van de Westgoten heeft gevonden; toen deze onder Alaric I in 410 Rome plunderden, zouden ze uit de stadskluizen de schat van de Tempel in Jeruzalem hebben meegenomen, die naar Rome was gebracht na de verwoesting van de Tempel in 70 na Chr. Toen de Westgoten na hun omzwervingen door de Provence en Spanje zich in Toulouse vestigden, zouden zij die schat nog bij zich hebben. De schat zou in Rennes-le-Château zijn verborgen in de tijd dat de Merovingen onder leiding van Clovis Toulouse veroverden.
De heilige graal

Volgens het boek 'Het heilige bloed en de heilige graal' van Michael Baigent heeft Saunière bewijzen gevonden, dat Maria Magdalena de vrouw was van Jezus Christus, en met hem samen kinderen had die na de kruisiging met hun moeder in Frankrijk terecht zijn gekomen. Saunière zou met deze bewijzen de katholieke kerk hebben gechanteerd en zo het geld hebben vergaard dat nodig was voor de restauratie van de kerk en het bouwen van de villa en de Tour Magdala. Sommigen menen in het werk van enkele schilders uit de 17e eeuw verder bewijzen te zien voor deze theorie, waaronder Nicolas Poussin die vlakbij Rennes-le-Château zijn schilderij De herders van Arcadië (Les bergers d'Acardie) heeft gemaakt.

Uit later onderzoek is gebleken, dat het een deel van Het heilige bloed en de heilige graal gebruik maakt van een aantal valse documenten die door ene Pierre Plantard (volgens het boek zelf de laatste grootmeester van de Priorij van Sion) in omloop zijn gebracht. Plantard heeft dit tijdens een rechtszaak ook moeten toegeven. Ondanks de bewijzen voor het tegendeel zijn de schrijvers van het boek nog steeds overtuigd van hun theorie. Zij komen in 1996 met nadere bewijzen van hun onderbouwing. Er blijkt een lijst van grootmeesters te zijn die in ieder geval tot en met Jean Cocteau overeenkomt, maar Pierre Plantard buiten schot houdt.
De 'schat' van pastoor François Bérenger Saunière